Het belang van tactisch kloppende oefeningen

Het belang van tactisch kloppende oefeningen

Albert Pujols keek verwilderd toe hoe de ballen stuk voor stuk langs hem vlogen. Pujols, meermaals uitgeroepen tot beste speler van de Amerikaanse honkbal league, wordt gezien als de beste slagman van zijn generatie. Dit keer moest hij echter zijn meerdere erkennen in de persoon die tegenover hem stond. “Dit wil ik nooit meer meemaken”, verklaarde Pujols toen hij het veld af droop. De lippen van vrouwelijke softbalster Jennie Finch krulden in een glimlach.

Jennie Finch zette in 2005 de gehele sportwereld op zijn kop. Ze reisde de trainingskampen af van top teams uit de Amerikaanse Major League Baseball en daagde de beste slagmannen uit om haar onderhandse slingerworp weg te slaan. Er was echter niemand die het voor elkaar kreeg.

Het is interessant om jezelf af te vragen hoe atleten het voor elkaar krijgen om snelle voorwerpen te ‘onderscheppen’. Het is een natuurlijke reactie om te denken dat de Federers en Momotas van deze wereld simpelweg gezegend zijn met snellere reflexen. Klopt dit echter wel? Dit is een vraagstuk die wetenschappers in de sport al tientallen jaren bezighoudt. De vaardigheden van Jennie Finch schetsen een heel ander beeld.

Op het moment dat mensen getest worden op simpel reactie vermogen, denk bijvoorbeeld aan oefeningen waarbij je moet je reageren op lichtjes die gaan branden, blijkt het verschil tussen top atleet en niet top atleet nihil te zijn. Het kost beide ongeveer een vijfde van een seconde om te reageren. Simpel uitgelegd wordt dit verklaard als de minimale tijd die er nodig is voor het menselijk lichaam om een signaal op te vangen en te verwerken zodat de spieren in actie kunnen komen. Een vijfde van een seconde is erg snel, maar in de honkbal- en zeker ook badmintonwereld is dit veel te traag. Tegen die tijd is de shuttle al bij, al dan niet voorbij je racket. Kortom, het is onmogelijk voor atleten om afhankelijk te zijn van reflexen.

Wat topatleten onder andere zo goed maakt is een soort vermogen om in de toekomst te kunnen kijken. Aan de hand van subtiele hints in met name de lichaamstaal van de tegenstander kan hij of zij voorspellen wat voor slag of worp er gaat komen. Met één penseelstreek kan een topatleet als het ware het gehele schilderij afmaken. Hoe minder goed de atleet, hoe meer van deze penseelstreken er nodig zijn. Op het moment dat de shuttle van de snaren komt kan Momota waarschijnlijk zijn ogen dicht doen en evengoed nog de shuttle terug slaan. Zo is er op YouTube een filmpje te vinden van Cristiano Ronaldo die in het donker een bal in de goal kopt, uiteraard wel nadat hij een flits van de pass heeft gezien.

De reden dat niemand het voor elkaar kreeg om de worpen van Finch weg te slaan, heeft te maken met de gooi techniek die ze hanteerde. Waarbij er in honkbal bovenhands wordt geworpen, gebruikt men bij softbal een soort onderhandse slingerworp. De slagmannen konden de lichaamstaal niet meer herkennen en waren dus puur overgelaten aan hun reflexen. Met als gevolg dat ze stuk voor stuk faalden.

Vertaald naar badminton benadrukt dit onder andere het belang van schijnbewegingen en goed gecamoufleerde slagen. Daar komt bij dat deze achtergrond informatie je heel anders laat nadenken over trainingsoefeningen. Hoe wedstrijd realistischer de oefening, hoe meer het visuele vermogen om het spel te lezen word geprikkeld en verbeterd. Het gaat hier immers om het herkennen van situaties en goed doordachte oefeningen kunnen dit proces ontzettend versnellen. Zo zal iemand die alleen maar traint met een shuttlekanon tijdens de wedstrijden geen idee hebben wat er gebeurd en als gevolg continu te laat bij de shuttle zijn, zelfs al is hij nog zo behendig en explosief.

Wat voor het shuttlekanon geld, geld eigenlijk ook voor multifeeden (multishuttle of kokeren, oefeningen waarbij rijen shuttles worden aangegeven). De aangever staat hierbij vaak ergens stil in het veld op veelal onlogische plekken (bijvoorbeeld alles vanuit het midden, ook al wordt er langs de lijnen terug geslagen), en ook de techniek die er gebruikt wordt met het aangeven lijkt vaak niet op de techniek die er tijdens een wedstrijd wordt gebruikt. Bovendien, en zeker niet het minst belangrijke punt, houdt multifeeding weinig rekening met het ritme van het spel. Een shuttle die hoog naar achter wordt geslagen komt veel later terug dan een dropshot. Alles bij elkaar zal een speler die alleen maar multifeed oefeningen doet vrijwel in dezelfde situatie terecht komen als de speler die alleen met een shuttlekanon heeft gewerkt. Het vermogen om ‘in de toekomst te kijken’ is bij beide spelers nog  niet ontwikkeld en in een wedstrijd zullen ze achter de feiten aan lopen.

Betekent dit dan dat je helemaal geen multifeeding meer moet gebruiken? Absoluut niet, er zijn tal van onderdelen die goed te trainen zijn op die manier. Zelf gebruik ik het graag om nieuwe technieken aan te leren of om gewoontes in te slijpen bij bijvoorbeeld dubbel rotaties. Het is echter belangrijk om te beseffen dat het zijn tekortkomingen heeft en dat oefeningen met 1 shuttle erg belangrijk zijn.

Op het moment dat je multi en 1 shuttle oefeningen goed combineert ben je er nog niet. Als ik een 1 shuttle oefening neerzet waarbij de aangevers veel te dicht op het net staan, krijg je een constant te hoog en onrealistisch tempo, met als gevolg gehaast en slordig voetenwerk. Kortom, oefeningen moeten zo realistisch mogelijk zijn en de tactische situatie moet kloppen. Als je spinslagen aan het net oefent en alles wordt achter de servicelijn aangegeven, dan ga je niet ver komen. Spinnen vanuit die positie gaat bijna niet. Hoe beter je in staat bent om aan je oefeningen te sleutelen en constant tactische verbeteringen aan te brengen, hoe sneller spelers het spel leren zien en begrijpen. Let hierbij ook op de aangevers, daar valt vaak het meest te winnen.

Één van de punten waarop een topatleet zich onderscheid van de rest is zijn vaardigheid om het spel te zien en te lezen. Zeker in een snelle sport als badminton is dit van groot belang. Om spelers in staat te stellen deze vaardigheid te ontwikkelen zijn tactisch kloppende oefeningen met 1 shuttle belangrijk. Wil je toch iets trainen wat makkelijker gaat met multifeeding, denk dan goed na over manieren om de oefening zo realistisch mogelijk te maken. Je kan als aangever meebewegen met de slagen en rekening houden met het ritme. Alleen al deze gedachte gang zal er voor zorgen dat je spelers een stuk sneller hun ‘toekomst voorspellende gaven’ kunnen ontwikkelen.

(geschreven door docent badminton specialist)